Pour ses voisins, la France a souvent été un modèle d'inspiration et d'admiration, par l'intensité et la portée universelle des débats intellectuels dont elle a le secret. Elle est source d'accablement pour ses amis qui la voient se perdre dans une polémique stérile sur l'identité nationale. L'opportunité politicienne de ce débat, sa conduite hésitante et ses finalités floues donnent en effet l'impression désastreuse que la France a peur d'elle-même. Il y a décidément quelque chose de pourri en République française.
Le séminaire, qui s'est déroulé en catimini le 9 février, témoigne du piège dans lequel s'est enferré le gouvernement. D'abord son opportunité lui échappe : censé contrer le Front national, le débat sur l'identité nationale a au contraire remis les thématiques d'extrême droite au premier plan. Ensuite, sa conduite a fait défaut : faute de consensus politique au sein même de la majorité présidentielle, ces discussions de sous-préfecture et le site dédié sont devenus un défouloir au remugle vichyste. Enfin, quelles sont les finalités de cette affaire ? Apprendre La Marseillaise à l'école ? L'absurde le dispute au grotesque.
Non pas qu'il faille avoir honte de son chant patriotique. Mais plutôt que de se lamenter sur le fait que les jeunes connaissent mieux les paroles d'un chanteur à la mode plutôt que celles de l'hymne national, les Français devraient plutôt être fiers de savoir que La Marseillaise est connue.
Cette crispation sur les symboles nationaux est le symptôme le plus patent du malaise national transpirant à travers ce débat raté. C'est un réflexe de peur incompréhensible quand on connaît le poids et l'influence de la France en Europe et dans le monde. Tous les pays ont des problèmes d'immigration, les ex-pays coloniaux plus que les autres, mais nous savons bien que c'est moins l'islam qui pose problème que le manque de formation et le chômage.
Pour un voyou d'origine africaine ou un Maghrébin islamiste qui affuble sa femme d'une burqa, combien de jeunes issus de l'immigration parviennent à s'insérer et à vivre de leur travail dans nos sociétés ? L'immense majorité. Ce serait une insulte à l'avenir national si ce débat sur l'identité devait conduire à stigmatiser des couches de la population à cause des comportements individuels d'une minorité agissante, dont le cas relève de la police et de la justice.
Lorsque la France a remporté la Coupe du monde de football, je ne me souviens pas, bien au contraire, que les Français aient eu à se plaindre des capacités sportives que donnait à leur pays sa diversité ethnique et culturelle. C'est de cette France-là que l'Europe a besoin, un pays ouvert et solidaire, qui s'est forgée une identité plurielle et universelle. Deux concepts si bien mis en lumière par Amartya Sen et Karl Popper, dont j'ai repris et développé la pensée en 2006 dans un manifeste politique intitulé "Plaidoyer pour une société ouverte". Pour moi, l'essentiel en effet n'est pas d'où l'on vient mais où l'on va.
Au moment où l'on célèbre le 50e anniversaire de la mort de Camus, il serait paradoxal que la France s'abandonne à une posture étrangère à celle qui a fait sa réputation multiséculaire. Il existe certes une autre France, maurrassienne, chauvine qui ne s'est pas illustrée au mieux lors des grands chocs nationalistes du XXe siècle. Mais de la France qu'on aime et dont on a besoin, on attend des idées, des projets, et non pas le repli identitaire d'une vieille nation frileuse, plus occupée à ressasser les échecs du passé qu'à préparer ses succès de demain. Le légitime respect dont jouit toujours la France hors de ses frontières est un gage de reconnaissance précieux et un point d'appui pour redonner confiance aux Français. Un peuple confiant trouvera sa place dans l'Europe et le monde. Et ses gouvernants seraient bien inspirés d'en prendre conscience.
Guy Verhofstadt est président du groupe de l'Alliance des démocrates et des libéraux au Parlement européen, ancien premier ministre belge.
Comments
Identiteit in tijden van Expeditie Robinson
ZEGGEN WIE JE BENT IS GEZOND EN NIET VRIJBLIJVEND
In het veelkantige identiteitsdebat van de jongste weken kan BART DE WEVER niet ontbreken. Als antwoord op het doorwrochte pleidooi van Guy Verhofstadt tégen een identiteitsdenken en vóór een postnationalisme, presenteert hij zelf een al even diepgaand werkstuk. En legt hij in één moeite door uit waarom neoliberale veelverdieners niet van identiteit houden.
Verhofstadts essay over identiteit (DS 24 februari) heeft alvast de verdienste dat de lectuur ervan mij, zoals de door Marcel Proust in bloesemthee gesopte madeleine, terugvoerde naar mijn studententijd begin jaren negentig. Toen waren de ideeën van Verhofstadt nog vers en voorwerp van een levendig intellectueel debat. De Berlijnse muur viel en de wereld beleefde een kortstondige dronkenschap van optimisme. Francis Fukuyama voorspelde onomwonden het einde van de geschiedenis in een op handen zijnde universalisering van de westerse democratie. Dezelfde hoogmoedige gedachte werd 2000 jaar eerder al uitgewerkt door de Griekse filosoof Posidonius, die Rome de wereld zag herscheppen in een gemenebest van de mensheid waarin alle culturele verschillen voor eeuwig zouden vervallen. De globalisering werd begin jaren negentig nog enthousiast onthaald, zowel bij de gematigde linkerzijde als in het neoliberale kamp. Geloof in de nationale identiteit werd afgeschreven als een stadium dat de mensheid dringend voorbij moest. Meer nog, waar conflicten in de wereld vóór 1989 steevast door de ideologische bril van de Oost-Westtegenstelling werden geduid, werd de zwarte piet nu doorgeschoven naar het nationalisme. De gewelddadige ontbinding van Joegoslavië zou voor 1989 vanzelfsprekend worden verklaard in het Oost-Westschema, maar na 1989 werd het een verhaal van extreme nationalisten en etnische zuiveringen.
Destructie en zelfspot
Het postmodernisme ontwikkelde een visie op identiteit waarbij de klemtoon lag op deconstructie en demythologisering. Tegen de achtergrond van de electorale doorbraak van een radicaal rechtse, nationalistische partij, sprong progressief Vlaanderen zo enthousiast op die kar dat deconstructie allengs veranderde in destructie. Vlaamse identiteit gold als een gevaarlijke illusie, gekoesterd door achterlijke lieden. Van de weeromstuit groeide er een nieuwe belgitude. In tegenstelling tot het traditionele belgicisme verheerlijkte die België niet wegens de Belgische identiteit maar juist wegens het gebrek daaraan. Als drager van een non-identiteit werd België opgewaardeerd van een natiestaat in volle neergang tot een gidsland naar de gedroomde postnationale wereld. Toen Paars in 1999 de macht overnam, werd het project 'Vlaanderen-Europa 2002' van Luc Van den Brande vervangen door de zogenaamde Kleurennota. Het verschil tussen beide documenten zat vooral in wat geschrapt werd: iedere verwijzing naar het Vlaming-zijn werd omfloerst en Vlaanderen was niet langer een culturele gemeenschap, maar een regio of een trefpunt. In 2002 sloegen de kwaliteitskranten naar aanleiding van 700 jaar Guldensporenslag met onverholen genoegen aan het demythologiseren. De open deur dat de veldslag van het graafschap Vlaanderen tegen de Franse kroon weinig verband houdt met het hedendaagse Vlaanderen, werd bij herhaling ingetrapt. Vlaanderen moest en zou weten dat 1302 slechts een verhaal was dat door 19de-eeuwse romantici werd opgerakeld om Vlaanderen uit te vinden. In de Vlaamse regering werd geopperd om 'Vlaanderen Boven' als feestlied te kiezen boven de Vlaamse Leeuw, kwestie van iedere verdenking van nationalisme uit te wissen met goedmoedige zelfspot.
De basis voor deze hoogmis van Vlaamse zelfschaamte werd enkele jaren eerder geleverd door Het klauwen van de leeuw, waarin historicus Marc Reynebeau grondig afrekende met de mythe van de Vlaamse identiteit. Wie het eerste deel van dat boek herleest, merkt dat Verhofstadt in zijn essay precies dezelfde gedachtegang probeerde te ontwikkelen. De oud-premier liet enkel alle waardevolle nuances vallen, voegde er een gênant slechte geschiedenisles aan toe en beschuldigde als uitsmijter alle vormen van identiteitsdenken van potentiële massamoord. Een mens vraag zich af of ze bij de Convergència Democràtica de Catalunya, voorvechter van de Catalaanse onafhankelijkheid, weten dat hun fractievoorzitter in het Europees parlement hen beoordeelt als lieden wier politiek streven uiteindelijk leidt tot de gaskamer. Eveneens ironisch is dat Verhofstadt uitgerekend Amartya Sen (die het kosmopolitisme à la Verhofstadt scherp veroordeelt) aanhaalt om zich te scharen achter diens terechte afschuw van het herleiden van mensen tot een eenduidige, enkelvoudige identiteit. Dat terwijl Verhofstadt zelf mensen het recht ontzegt om te kiezen voor een nationale identiteit en heel Europa beveelt tot het enkelvoudige, eenduidige pad van zijn postnationaal geloof. Of hoe de visionair uit Gent de opgewekte gasgeur uiteindelijk naar zichzelf trekt.
Pornografie
De aanleiding voor Verhofstadts poging om voorop te lopen met ideeën die anderen lang voor hem veel beter en genuanceerder op papier hadden gezet, was het debat over de nationale identiteit in Frankrijk. Het verloop daarvan toonde vooral aan hoeveel speelruimte er intussen gegeven is aan lieden die de intellectuele veroordeling van identiteitsbeleving dankbaar gebruiken om het verkregen monopolie in te vullen met het aanprijzen van een gesloten identiteit. Het hele debat verzandde dan ook in een rondje islam-bashen vanwege extreemrechts. De linkerzijde antwoordde even voorspelbaar door er - naar het goede woord van André Glucksmann - voetstoots van uit te gaan dat het enige mogelijke verband tussen identiteit en burgerschap er één van uitsluiting is. Daarmee bewezen ze eer aan een boutade van historicus Eric Defoort: identiteit afwijzen omdat racisme bestaat, is zoals seks afwijzen omdat pornografie bestaat. Die boutade impliceert dat identiteit een natuurlijke menselijke behoefte is die men op een positieve manier kan beleven. En daarmee ligt de hamvraag op tafel: klopt dit wel? In tegenstelling tot wat Verhofstadt meent te weten, wordt al geruime tijd algemeen aanvaard dat nationale identiteit contingent is. Zoals alles wat wij maatschappelijk denken, is het een menselijke uitvinding. Identiteit is een sociale constructie die een groep mensen die elkaar niet persoonlijk kennen, tracht te verbeelden tot een samenhorige gemeenschap. Identiteit poneren als finaliteit is hopeloos achterhaald, identiteit moet benaderd worden als een functie. De vraag of deze functie nog positief kan inspelen op een gezonde behoefte en dus nuttig blijft in de 21ste eeuw is bijgevolg zeker legitiem. Mijns inziens is het antwoord op die vraag onomwonden ja.
Kamp noord
De mens is van nature een sociaal wezen. Etnocentrisme en xenofobie komen in alle tijden voor en zouden biologisch gebaseerd zijn op onze genetische voorkeur voor verwanten. De sociale psychologie toonde aan hoe snel mensen groepsgedrag ontwikkelen, zelfs in groepen die op louter fictieve basis worden afgebakend (voor de fans van Expeditie Robinson: kamp noord versus kamp zuid). Het politiek operationaliseren van een etnische groep door het articuleren van een eigen identiteit, is zo oud als de menselijke beschaving zelf. Al in de 10de eeuw omschreef een Duitse abt het begrip 'natio' als mensen die samen horen door gedeelde gewoonten, afkomst, taal en recht. Diverse auteurs toonden aan dat processen van natievorming ouder zijn dan de moderne natiestaten. Onmiskenbaar luidden die wel een fundamenteel nieuwe periode in waarbij de natie de ordening van het ancien régime verving. Voortaan zou een gemeenschap van burgers in zichzelf de legitimatie zoeken om het staatsgezag te dragen. In het ontstaan van dit moderne nationalisme ziet Verhofstadt een tegenstelling tussen het Franse en het Duitse model. Frankrijk zou een verlichte, republikeinse natie zijn, gebaseerd op de vrije keuze van wie ertoe wil behoren. Duitsland zou ontstaan zijn als een reactionaire, etnische natie waartoe mensen gedwongen werden. Dit onderscheid tussen een inclusieve, civiele identiteit en een exclusieve, etnische identiteit werd vlak na WOII al geconcipieerd door auteurs als Hans Kohn, maar hield wetenschappelijk geen stand. Het fundamentele verschil tussen de Duitse en de Franse weg naar de moderne natiestaat is dat Frankrijk eraan begon als een dynastiek geheel en Duitsland als een bestuurlijke lappendeken. Bij de Duitse eenmaking was men bij gebrek aan civiele structuur aangewezen op een sterk etnische articulatie van de verhoopte nationale identiteit. Nochtans waren het de Franse patriotten die het Jacobijnse ideaal van een eengemaakte cultuur tot een politiek axioma verhieven. Eugene Weber beschrijft in From peasants into Frenchmen hoe de Franse revolutionairen oordeelden dat de burgerlijke vrijheid alleen binnen de Franse cultuur gestalte kon krijgen en mensen dwongen om zich hiermee te identificeren. Verhofstadt zingt de lof van de Franse soldaten die de republikeinse waarden van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid in heel Europa uitdroegen. Maar wie daar destijds niet direct de meerwaarde van zag, dreigde kennis te maken met een Duitse wijsheid: 'Willst du nicht mein Bruder sein, schlag' ich dir den Schädel ein.'
Ethische gemeenschap
De strikte tegenstelling tussen civiel en etnisch nationalisme waar Verhofstadt nog van uitgaat, sneuvelde door de evidente waarneming dat ieder identiteitsconcept bestaat uit een mix van civiele en culturele elementen. Dit maakt ruimte voor een evenwichtigere en dynamischere benadering waarbij men identiteitsbeleving kan beoordelen op basis van haar concrete definitie. Als de klemtoon ligt op etnoculturele elementen die niet door buitenstaanders kunnen verworven worden, heb je een gesloten nationalisme dat gebruikt kan worden om te mobiliseren tegen de andere. Ligt de klemtoon daarentegen op een burgerschap gebaseerd op civiele en culturele elementen (bijvoorbeeld verwerving van de taal) die men zich kan eigen maken als men tot de club wil toetreden, heb je een inclusief nationalisme. De maatschappelijke meerwaarde van een gezonde identiteitsbeleving ligt vooral in de creatie van een ethische gemeenschap. Zeggen wie je bent, is geen vrijblijvend statement. Het verbindt je tot alle andere spelers van dezelfde ploeg en vice versa. De organisatie van een impliciete solidariteit is in deze context vanzelfsprekend. Identiteit geeft ook antwoord op de vraag wie behoort tot het volk en wie niet. Op die manier creëert het een democratische gemeenschap. Volkssoevereiniteit dwingt nu eenmaal tot begrenzing (of kan Verhofstadt in zijn denkwereld verklaren waarom hij Europa als een entiteit beschouwt?). Deze maatschappelijke return van de natie wordt de jongste jaren trouwens opnieuw erkend. Getuige daarvan Nations matter van de progressieve socioloog Craig Calhoun, die stelt dat nationalisme cruciaal is voor het bestaan van democratie en solidariteit. Calhoun concludeert dat 'rather than wishing nationalism away, it is important to transform it'. De natie mag dan slechts één van de concentrische kringen zijn waarin ieder individu zijn/haar verschillende identiteiten vorm geeft en beleeft, ze biedt wel het niveau waarop wij doeltreffend onze directe overheid kunnen organiseren. Van op die eigen vierkante meter kunnen we de wereld tegemoet treden en op een realistische manier open staan voor wie ons tegemoet treedt.
Barst in België
Wat kunnen we daarmee in de Belgische case? In tegenstelling tot de vrijwel algemeen verspreide opvatting was België als natiestaat geen louter kunstmatige constructie. Een Zuid-Nederlandse identiteit bestond tevoren al en lag mee aan de basis van het welslagen van de revolutie van 1830. De jonge natiestaat werd cultureel gedefinieerd als emanatie van haar hogere burgerij, die het cijnskiesrecht genoot en die volledig Franstalig was. De taalvrijheid in de grondwet werd door Charles Rogier treffend geduid als de vrijheid voor Franstaligen om nooit Nederlands te hoeven leren. Vanuit die optiek situeert historicus Herman Van Goethem de eerste echte barst in de Belgische natiestaat in 1893 door de invoering van het algemeen stemrecht. Daarmee trad de Fransonkundige, gewone Vlaming in de Belgische democratie. De Vlaamse Beweging veranderde geleidelijk van de ambitie om een betere definitie aan België te geven (met welk oogmerk Conscience ironisch genoeg zijn Leeuw van Vlaanderenhad geschreven) naar de organisatie van een Vlaamse subnatie. De Vlaamse machtstoename provoceerde tegelijk een Franstalige tegenbeweging. De barst in de Belgische natiestaat zou vanaf dan steeds verder eroderen tot een onherstelbare breuk wanneer in de jaren zeventig de Belgische democratie zich volledig ontdubbelde in autonome Vlaamse en Franstalige entiteiten. België schraagt sindsdien geen ethische of democratische gemeenschap meer. Het land evolueerde snel tot wat Karel De Gucht omschreef als een permanente diplomatieke conferentie. De bestuurlijke daadkracht ervan als directe overheid wordt steeds problematischer. De Vlaamse deelstaat toont ambitie om het vacuüm op te vullen en schraagt een Vlaamse identiteit die in objectieve termen steeds sterker wordt. Maar in subjectieve termen slaagde het Vlaamse project er nooit in om de gehele bevolking te overtuigen. Het opgeven van België en het kiezen voor Vlaanderen haalt het bijgevolg (nog) niet op de positionering van de Vlaamse opinie in andere politieke breuklijnen. Voorlopig eindresultaat is daarom een bestuurlijk lamgeslagen federale staat en een identiteitsbeleving die (zowel Belgisch als Vlaams) te problematisch en te zwak is om meerwaarde te bieden aan een actief burgerschap.
Toscane
De meerwaarden van een gezonde identiteitsbeleving gaan dus vooralsnog aan ons voorbij. Dat is jammer als men bekijkt welke alternatieven er wenken. Enerzijds het gesloten nationalisme dat ons in een dialectiek van tegenstelling en conflict brengt. Anderzijds het postnationaal wereldburgerschap van Verhofstadt. Dat dit laatste verleidelijk is voor mensen die zich vlot naar een buitenverblijf in Toscane kunnen verplaatsen, is evident. Voor de veelverdiener is het volledig loskomen van gemeenschapsstructuren nu eenmaal de ultieme neoliberale droom. Voor wie minder geluk heeft, dreigt een onaangename wereld waarin je het als individu alleen moet zien te rooien op cultureel, economisch en democratisch vlak. In zijn recente boek De wereldburger bestaat niet, verwijt de Nederlandse PVDA-ideoloog René Cuperus de zogenaamde kosmopolitische nationalisten dat ze een wereld promoten zonder inbreng of betrokkenheid van de rest van de bevolking. Wie denkt dat de globalisering als vanzelf globale mensen voortbrengt - globale politiek, globale democratie, globale samenhorigheid - speelt met historisch en maatschappelijk vuur. Cuperus vraagt 'een fundamentele reset van het vastgelopen economisch-maatschappelijk systeem door een minder losgezongen en zelfzuchtige elite'. Wie het schoentje past, trekke het aan.
www.standaard.be/identiteitsdebat
BART DE WEVERWie? Voorzitter van de N-VA. Wat? Identiteit is geen doel maar een functie. Waarom? De gezonde behoefte aan identiteit kan een maatschappij zeer goed aanwenden.
Belgische knulligheid
De Standaard, dinsdag 16 februari 2010
Guy Verhofstadt die het Franse identiteitsdebat hekelt, PETER DE GRAEVE vond het maar sullig. Want hoe kunnen Belgen nu deelnemen aan zo'n discussie? Ze kunnen ze niet eens begrijpen.
Waarop berust onze identiteit? Ik zou het niet meteen weten: op heel veel en heel weinig. Mijn eigen identiteit, bijvoorbeeld, is een soepje. Er zit een beetje van alles in, en heel veel ook niet. Niet alleen mijn taal en herkomst maken er deel van uit, maar ook mijn humeur: zo kan ik mezelf, bijvoorbeeld, nauwelijks Belg of Vlaming noemen zonder meteen te gaan sakkeren over het lullige aan dit Belg of Vlaming zijn. Anderzijds ben ik helemaal mezelf omdat er heel wat is wat ik helemaal niet ben. Zo ben ik niet zwart, wat van mij een blanke mens maakt. Al is het mij niet altijd duidelijk wat blank zijn voor mij, als mens, nu precies betekent. Het is me een raadsel, die identiteit. En eerlijk gezegd: dat vind ik niet erg.
Verhofstadt had met de complexe Fransen graag een boompje opgezet over identiteit. Geen geringe ambitie voor een simpel mens. De vraag stellen naar onze Europese identiteit(en) is een heel filosofisch karwei. Maar het opgeheven vingertje waarmee de Europese leidsman aan onze zuidergrens stond te zwaaien, zag er wat sullig uit. Le ridicule qui tue un peu. Goed gezien, monsieur Kouchner. Touché. Waarom kan Verhofstadt niet anders dan zich indeze discussie belachelijk maken? Wel, omdat hij een Belg is. Wij, Belgen, begrijpen immers, van nature, niet veel van het hele discours over moderne politieke identiteit.
Moderne identiteiten zijn het gevolg van historische misgrepen. Dat maakt ze zo boeiend. De idealen 'vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid' van de Franse revolutie vormden de politieke verwoording van een greep naar demacht door het volk, de burgerij. Die machtsgreep is deels gelukt, deels mislukt. Dankzij de Franse revolutie ontstond een nieuw denken over politieke macht, waarop zich een nieuwe politieke praktijk heeft gevestigd, de democratie. In die zin is het hun gelukt, de Fransen, en is de Franse revolutie een geluk geweest, hun geluk, en ook een beetje het onze. Daartegenover staat dat vrijheid, gelijkheid noch broederlijkheid ooit effectief zijn gerealiseerd. Het blijven idealen, ze bestaan niet 'echt', ze zijn veeleer symbolisch. Zo bekeken blijkt onze moderne democratische identiteit dus een luchtspiegeling. We noemen elkaar wel 'gelijken', zonder het ooit écht te (kunnen) zijn: man-vrouw, blank-zwart.
In het ancien régime was de bedelaar bedelaar omdat God hem zo had geschapen. Zijn identiteit was een essentie. DeFranse revolutie heeft in die metafysica een 'gat' geslagen, zoals de filosoof Zizek zou zeggen. Een gat zo groot als dewereld. Het gat van het essentieloze, van de non-identiteit. En als de Fransen vandaag over identiteiten bakkeleien, gaat het in feite over de organisatie van die non-identiteit in een wereld die verstoken is van essenties. Het gaat over devraag of er opnieuw een politieke ruimte gedefinieerd kan worden waarin we, wars van onze historische, genetische, regionale, religieuze, nationale en andere identiteiten en verschillen, toch elkaars gelijken kunnen zijn.
'Tous français', ondanks alles. Dat wil niet zeggen: 'iedereen overal nationalist', maar wel: 'allen ergens gelijk'. Het debat over de identiteit in Frankrijk is wezenlijk een debat overdemocratie, over de plaats van het gelijke, over gelijkheid en vrijheid als politieke idealen.
Hoor dan de Belgjes eens van leer trekken! Daar komen ze weer aandraven met hun lasagne- en hutsepotidentiteit! 'Ik ben Brusselaar, Brabander, Vlaming, Belg, Europeaan, wereldburger.' Inderdaad, de Belg kan zijn of haar identiteit nooit anders denken dan als een opeenstapeling van mini-essenties. Alsof dat niet een essentialistisch denken blijft, ondemocratisch en anti-modern. De Belg begrijpt de Franse discussie over identiteit niet, omdat hij ze meteen interpreteert vanuit een 'essentie', vanuit het blijven behoren tot een of ander verleden. Hij begrijpt haar nooit vanuit de democratie, vanuit de moderniteit, vanuit een streven naar een toekomst in gelijkwaardigheid. De reden hiervoor is simpel: op geen enkel ogenblik in zijn geschiedenis heeft de Belg een 'greep naar de moderniteit' gedaan, zoals de Hollander of de Fransman of deAmerikaan. De Belgische identiteit berust niet, zoals bij hen, op de historische ontwikkeling van half tot slagen, half tot mislukken gedoemde politieke idealen. De Belgische identiteit berust op een complete mislukking. 'Tous belges', betekent net niet: 'iedereen gelijk'. Het betekent juist wel: 'iedereen nationalist', nationalist op een 'hoger' niveau. In die zin zijn alle Vlamingen Belg en alle Belgen Vlaming. DeBelg is namelijk een democratische mislukkeling. Een politiek fossiel dat zichzelf dag na dag uit de slijksleuven van het ancien régime opgraaft. Een spirituele potsenmaker die de meest onbenullige essenties opeenstapelt en zichzelf vervolgens aan de wereld aanprijst als 'universeel', 'internationalist', 'polyglot', 'multicultureel', noem maar op. In feite is hij niets.
De Belg laat zich in zijn universele mislukking graag idealiseren en bewonderen. Staat te pronken met helemaal niets. Onze zuiderburen hebben daar een treffende naam voor: le ridicule. Ze zijn zo beschaafd, sire, die Fransen.
PETER DE GRAEVE
Wie? Filosoof.
Wat? De Belg begrijpt de Franse discussie over identiteit niet.
Waarom?Belgen hebben geen idee wat een moderne identiteit is.
Hoe kunt u zo politiek blind zijn?
Open brief aan Guy Verhofstadt — In de Franse krant Le Monde schoot Guy Verhofstadt met scherp op het Franse identiteitsdebat: 'De discussies riepen de bittere nasmaak van het Vichy-regime op'. De voorzitter van de Europese liberalen krijgt vandaag een pittige repliek van JEAN-PIERRE AUDY, de voorzitter van de Franse EVP'ers.
Geachte collega,
In Le Monde van 12 februari publiceerde u een vrije tribune met de titel 'Er is iets aan het rotten in Frankrijk'(DS 12 februari) waarin u op een denigrerende wijze kritiek uit op het debat over de nationale identiteit dat momenteel plaatsvindt Frankrijk.
Het verbaast me dat een persoon van uw kaliber zich mengt in een debat dat onder de soevereiniteit van het Franse volk valt en dat u zich bovendien zo vergist over het nut van deze oefening. En dat op een moment dat onze hele planeet en alle beschavingen, met inbegrip van Europa, grote verschuivingen ondergaan.
Zwaar teleurgesteld
Ik zie u hier in het Europees Parlement regelmatig tussenbeide komen als voorzitter van de Alliantie van Democraten en Liberalen voor Europa en ik waardeer uw liberale ideeën en uw Europese overtuiging, maar dat verhindert niet dat ik nu zwaar teleurgesteld ben. Uw houding tegenover Frankrijk is zonder meer denigrerend en u gebruikt woorden ten aanzien van de Franse Republiek die gewelddadig en op het randje van beledigend zijn.
Ik denk niet dat het tot de goede politieke praktijk behoort wanneer een voormalig eerste minister van een Europese lidstaat de legitieme regering van een andere lidstaat beledigt. Dat u een Europees parlementslid en voorzitter van een politieke fractie bent, geeft u al evenmin het recht u op een dergelijke manier te mengen in nationale politieke kwesties in een andere lidstaat.
Hebt u erbij stilgestaan wat het Belgische volk ervan zou vinden als een hoge politieke vertegenwoordiger uit Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Nederland of eender welke andere lidstaat zich zou bemoeien met een debat over de nationaliteit van het koninkrijk België?
Excessen
Als ik u goed begrepen heb, vreest u dat de ontwikkeling van nationale identiteiten een obstakel kan vormen voor de Europese constructie. Ik ben het volledig met u eens wanneer het gaat over de negatieve gevolgen van nationalistische excessen die in het verleden altijd tot ideologische, politieke en militaire botsingen hebben geleid.
Maar in tegenstelling tot wat u schrijft, vind ik dat de nationale identiteit van de lidstaten geen bedreiging is, maar een kracht voor de verschillende volkeren die deel uitmaken van de Europese Unie.
De Europese Unie kan zich in de huidige fase van haar constructie enkel baseren op sterke lidstaten. Het zou in mijn ogen een kapitale politieke fout zijn te geloven dat de Europese Unie sterker zou worden naarmate de Europese lidstaten zwakker worden. De nationale identiteit staat niet in contrast met het idee dat aan de grond ligt van de Unie, maar is juist onmisbaar voor de fundamenten van de Unie.
Burgerschap
Het echte probleem is dat we - en ik heb het hier over alle Europese politieke fracties - niet genoeg energie steken in het 'Europees burgerschap'.
We zullen dit Europees burgerschap niet kunnen opbouwen door ons af te zetten tegen de nationale identiteit, maar juist door ons te baseren op de nationale identiteiten.
U en ik delen het ultieme ideaal van een Europese federatie van lidstaten die steeds nauwere banden hebben. Maar we zijn het niet met elkaar eens over de snelheid en de weg die we moeten volgen om daar te geraken.
Hoe is het mogelijk dat iemand die zulke hoge politieke verantwoordelijkheden heeft gehad en die nu voorzitter is van een politieke fractie die de naam van democraten draagt, zo politiek blind kan zijn en niet inziet dat er een grote terughoudendheid is bij de Europese bevolking wanneer het om de Europese constructie gaat?
Of het u nu bevalt of niet, de naties liggen de meeste Europese burgers na aan het hart, vooral in een Europese Unie, die haar praktisch nut wel bewezen heeft, maar niet heeft aangetoond dat ze de toekomst van de Europese volkeren in goede banen kan leiden.
Ik kijk er naar uit om met u van gedachten te wisselen over dit onderwerp.
JEAN-PIERRE AUDY
In De Standaard, dinsdag 16 februari 2010
Wie? Voorzitter van de Franse delegatie van de Europese Volkspartij, en lid van de UMP van president Nicolas Sarkozy.
Wat? Verhofstadts uitval is beneden zijn niveau.
Waarom? Een voormalig Belgisch premier hoort zich niet te mengen in Franse discussies.